Gedichten

Waailand  2

Waar is de wind gebleven, denk je soms.
Kieviten vliegvallen om elkaar heen,
de paringsdans van de bergeend is rock ‘n roll,
meeuwen poeren in de mest. Bestaan is hun beroep.
Ontwaakt de wind uit zijn hazenslaap van de luwte,
dan is hij direct overal.
Zit fietsers achterna, helpt ritselend de zaden te verplaatsen,
klotst onder de rompen, droogt verdrietwangen.
Stormt hij dan broeien er nesten van onrust.
Laag in het riet groeien kiekendieven op.
Er worden harten geboren, melodieën in kamers geblazen.
In het licht van de wind is alles veranderlijk.
© Dien L. de Boer

Groeien

in één beweging samen
met blonde en zwarte lokken
verdwenen mijn haarpunten én
het kappersgeklets op het einde
van de dag in het salonputje

die nacht reisde ik
naar een overzees gebied en toen
ik ’s morgens mijn zoon de droom
vertelde, zei hij: opschrijven
dan kan ik ‘m ook dromen

net een boot die
wordt overgedaan aan
een andere man met een droom

herten hebben hun geweien
en de grond heeft zijn
struikgewas – taal
uit het hoofd van de aarde
die erin terugstroomt

 

 

Vleugelvlug

 

Het is een tocht geweest van enkele duizenden kilometers
waarna de vleugelvlugge zwaluwen hier aankomen
je hebt koplopers, die ons eraan herinneren dat we ze
misten en de roep ontlokken: hé daar zijn ze weer
en laatkomers, die de reis is tegengevallen met veel wind
en medetrekkers uit hun zonland naar het noordelijk halfrond
direct plakken ze hier de modder met hun spuug
onder dakbalken zoals nomaden karton spreiden onder bruggen
naar een land vliegen dat bevalt, je kroost daar grootbrengen
is behalve een flitsend feestje voor de oranjegebekte jongen
ook voor ons een troost; wij zijn teruggevonden
de zangers op de dakrand scatten: waar wij zijn is het zomer

 

© Dien L. de Boer
in opdracht van Juni Gedicht/ School der Poëzie

 

 

Nest

Geborgenheid herinner je je als uit een vorig leven. En in de jaren
op kamers zie je minnaars binnen komen en weer wegtrekken.
Een stoet gezichten, waar je negen van de tien keer de toekomstige in
vermoedt.
Tot je in een vlaag van hartewind diegene vindt in wie de nacht
vol nieuw blad schiet. Takken om je op te vangen. Het zwaargewicht
van een stam, meewiegend als het waait.
Liefde is uit niets een nest vlechten. Maar nooit wordt er zo hard gelijmd of
er raken naden los. Met onstuimige woorden een storm kalmeren.
Groots het in en uit vliegen. Onder deze kroon wil je wonen.

 

Uitzicht

wat er ook is te zien
het wordt omkaderd door het raam

in zijn oogopslag verschijnen
en verdwijnen de meeuwen

over de vensterbank heen verlang je
naar zeelucht en je gaat

op vakantie waar je gelijkvloers
leeft met het gras

terug in de stad sluimeren
de uitzichten nog op je netvlies

in de stad waar ramen staren
naar andere ramen en

alles waar je zicht op hebt
jou bewoont