Gedichten

Windwaarden

 

Wat spookt de wind uit, denk je soms
Meeuwen poeren in de mest. Bergeenden baltsen rock ‘n roll
Torenvalken bidden. Bestaan alleen is hun beroep

Ontwaakt het gewaai
uit zijn sluimer in de luwte, dan is het direct overal
Zit fietsers achterna, helpt ritselend de zaden te verplaatsen
Klotst onder de rompen, droogt verdrietwangen
Stormt het dan broeien er nesten van onrust

Waar is het ruisen gebleven, denk je soms
Laag in het leger van riet groeien hazen op
Er worden harten geboren, melodieën in kamers geblazen
In het oog van de wind is alles veranderlijk




			

Vleugelvlug

 

Het is een tocht geweest van enkele duizenden kilometers
waarna de vleugelvlugge zwaluwen hier aankomen

je hebt koplopers, die ons eraan herinneren dat we ze
misten en de roep ontlokken: hé daar zijn ze weer

en laatkomers, die de reis is tegengevallen met veel wind
en medetrekkers uit hun zonland naar het noordelijk halfrond

direct plakken ze hier de modder met hun spuug
onder dakbalken zoals nomaden karton spreiden onder bruggen

naar een land vliegen dat bevalt, je kroost daar grootbrengen
is behalve een flitsend feestje voor de oranjegebekte jongen

ook voor ons een troost; wij zijn teruggevonden
de zangers op de dakrand scatten: waar wij zijn is het zomer

voor: Juni-Gedicht 2017/ School der Poëzie

 

Nest

 

Geborgenheid herinner je je als uit een vorig leven.
En in de jaren op kamers zie je minnaars binnen komen en weer wegtrekken.
Een stoet gezichten, waar je negen van de tien keer de toekomstige in vermoedt.
Tot je in een vlaag van hartewind diegene vindt in wie de nacht
vol nieuw blad schiet. Takken om je op te vangen.
Het zwaargewicht van een stam, meewiegend als het waait.
Liefde is uit niets een nest vlechten. Maar nooit wordt er zo hard gelijmd of
er raken naden los. Met onstuimige woorden een storm kalmeren.
Groots het in en uit vliegen. Onder deze kroon wil je wonen.

 

bij 'Liefde' van J.Slauerhoff, dichters van nu spiegelen diens verzen,
'In zijn gedichten kunnen we wonen'(uitg.Spleen, 2016)

Kaartrijden

 

Binnenkomen over talloze wegen.
Warme winkels wachten met open monden. Gevels vrijen
met toeristen voor zolang de foto duurt. Je zet geen stap
zonder wat je meezeult, Tokio huist in een Japanner,
Moskou in een Rus.

Deze hoofdstad vangt zijn panden op met grachten, in rimpels.
Tussen de overkanten haakt trottoirklets aan terrasverhalen.
Straten kunnen alles. Je met stromen fietsers als vanzelf mee
verplaatsen van Oost naar West. Hartzeer afvoeren over
het asfalt, getuigen als er valt te vieren, hoeken en puien
inkleuren met herinneringen.
Ze verdragen voetstappen van wie een moord heeft gepleegd;
je weet het niet. Hele levenswegen kruisen de jouwe
in een moment van oogcontact.

De hoofd- en dwarsstraten die je nam, hebben een plattegrond
in jou gereden. Trouw is stenen vreemd. Verdiepingen
worden verhuurd, romances ingeruild.
Pleinen omarmen aldoor passanten.

 

voor: Ballustrada, jg.32, 2018, nr. 1/2

Uitzicht

 

wat er ook is te zien
het wordt omkaderd door het raam

in zijn oogopslag verschijnen
en verdwijnen de meeuwen
over de vensterbank heen verlang je
naar zeelucht en je gaat

op vakantie waar je gelijkvloers
leeft met het gras

terug in de stad sluimeren
de uitzichten nog op je netvlies

in de stad waar ramen
staren naar andere ramen

en alles waar je zicht op hebt
jou bewoont

uit:'Niet het moment maar het nagonzen', (Palmslag, 2014)