Gedichten

Woei

Waar is de wind gebleven, denk je soms
Meeuwen poeren in de mest. Bergeenden baltsen rock ‘n roll
Torenvalken bidden. Bestaan, dat is hun beroep

Ontwaakt het gewaai
uit de sluimer van zijn luwte, dan is het direct overal
Zit fietsers achterna, helpt ritselend de zaden te verplaatsen
Klotst onder de rompen, droogt verdrietwangen
Stormt het dan broeien er nesten van onrust

Waar is de woei gebleven, denk je soms
Laag in het rietleger groeien hazen op
Er worden harten geboren, melodieën in kamers geblazen
In het oog van de wind is alles veranderlijk

© Dien L. de Boer

Vleugelvlug

 

Het is een tocht geweest van enkele duizenden kilometers
waarna de vleugelvlugge zwaluwen hier aankomen
je hebt koplopers, die ons eraan herinneren dat we ze
misten en de roep ontlokken: hé daar zijn ze weer
en laatkomers, die de reis is tegengevallen met veel wind
en medetrekkers uit hun zonland naar het noordelijk halfrond
direct plakken ze hier de modder met hun spuug
onder dakbalken zoals nomaden karton spreiden onder bruggen
naar een land vliegen dat bevalt, je kroost daar grootbrengen
is behalve een flitsend feestje voor de oranjegebekte jongen
ook voor ons een troost; wij zijn teruggevonden
de zangers op de dakrand scatten: waar wij zijn is het zomer

 

© Dien L. de Boer
in opdracht van Juni Gedicht/ School der Poëzie

 

 

Nest

Geborgenheid herinner je je als uit een vorig leven.
En in de jaren op kamers zie je minnaars binnen komen en weer wegtrekken.
Een stoet gezichten, waar je negen van de tien keer de toekomstige in vermoedt.
Tot je in een vlaag van hartewind diegene vindt in wie de nacht
vol nieuw blad schiet. Takken om je op te vangen.
Het zwaargewicht van een stam, meewiegend als het waait.
Liefde is uit niets een nest vlechten. Maar nooit wordt er zo hard gelijmd of
er raken naden los. Met onstuimige woorden een storm kalmeren.
Groots het in en uit vliegen. Onder deze kroon wil je wonen.

 

Uitzicht

wat er ook is te zien
het wordt omkaderd door het raam

in zijn oogopslag verschijnen
en verdwijnen de meeuwen

over de vensterbank heen verlang je
naar zeelucht en je gaat

op vakantie waar je gelijkvloers
leeft met het gras

terug in de stad sluimeren
de uitzichten nog op je netvlies

in de stad waar ramen staren
naar andere ramen en

alles waar je zicht op hebt
jou bewoont